In de drafsport wordt een paard niet bereden maar bevindt de pikeur zich in een sulky achter het paard.
Tijdens races dient het paard in draf te lopen, op straffe van diskwalificatie. Er zijn ook drafwedstrijden waarbij het paard wel bereden wordt. Dit wordt door insiders "Monté" genoemd. Gangen van een paard De drie meest bekende gangen van een paard zijn:
stap
draf
galop
de rengalop
de arbeidsgalop
Hiervan is stap de rustige ontspannen gang en galop de snelste gang. De drie gangen zijn er in verschillende tempi: bijvoorbeeld arbeidsgalop en rengalop. De laatste gang vertoont een paard meestal alleen op het strand of bij paardenraces. Naast deze drie bekende gangen zijn er nog twee die bij uitzondering worden vertoond en meestal alleen bij bepaalde soorten voorkomen: telgang
tölt
De laatste gang komt bijna alleen bij IJslandse paarden voor
Anatomie
achterhand - bil met achterste ledemaat
appelschimmel
behang - lange beenbeharing
benen - poten
borst - gedeelte aan de voorkant tussen de voorbenen.
bruin paard - paard met bruin lijf maar met zwarte manen, staart en onderbenen
droge benen - 'vel over been' op de poten (dit is goed)
hoofd - kop
koot - laatste stukje onderbeen achterhand, net boven de hoef, inderdaad anatomisch een teenkootje
koudbloed - zwaargebouwd trek- of werkpaard
maantop - kruintje voor of tussen de oren
manen - rij langere haren in de mediaanlijn van de nek tot de schouder.
nek - een stuk van ca 5 cm net achter de kop; de rest van de nek heet 'hals'
schoft - hoogste punt van een paard op de kleine welving waar de rug overgaat in de hals. 'schouderhoogte'.
spronggewricht - gewricht halverwege de achterpoot (een paard loopt op zijn tenen)
schofthoogte - afstand van de grond tot de schoft
stokmaat - schofthoogte
schimmel - wit paard dat donker geboren is
spronggewricht - de 'enkel' van het paard, aan de achterbenen. Veel leken zouden dit de knie noemen maar dit gewricht buigt de andere kant op. de achterknie zit hoger, tegen de romp aan. Paarden lopen op de toppen van hun tenen.
volbloed - paard met kenmerken van de 'arabier' (woestijnpaard), slank en lichtvoetig.
voorhand - voorste ledemaat, dat deel van het paardenlijf voor het zadel
voorknie - de pols van het paard aan de voorbenen. de elleboog zit weer hoger.
vos - 'bruin paard' voor gewone mensen (maar zie 'bruin paard')
warmbloed - tussen koud- en volbloed in.
Gangen
- stap(voets) - gewoon lopen
- draf
- galop
- korte galop
- linker galop, rechter galop
- gestrekte galop
- telgang - gang waarbij twee benen links tegelijk worden verplaatst, gevolgd door twee benen rechts, zoals ook bij kamelen.
- tölt
Medisch
- kwade droes
- dop - melkkies die op blijvend gebitselement blijft zitten
- klophengst - hengst met cryptorchisme
- ruin - gecastreerde hengst
Parafernalia
- bit - metalen dwarsstaaf in de mond bij het diasteem
- hoofdstel
- rijbroek
- rijlaarzen
- rijzweep
- roskam
- sporen
- stijgbeugel
- stijgbeugelriem
- tuig
- zadel